Nieuws: 13 Feb 2017

" alt="">

Nederlandse verzekeringsartsen oordelen eensluidend

Beoordeling van de arbeidsgeschiktheid van patiënten laat internationaal grote verschillen zien tussen verzekeringsartsen. Maar Nederlandse artsen doen het goed.

Dat blijkt uit een systematische review van 23 studies uitgevoerd in 12 landen. Deze resultaten zijn gepubliceerd in The BMJ door Jürgen Barth e.a., onder wie dr. Jan Hoving (Coronel Instituut voor Arbeid en Gezondheid, AMC) en dr. Jerry Spanjer (UMCG/UWV). Deels gaat het om studies die zijn verricht in een verzekeringsgeneeskundige setting (16 onderzoeken), deels om studies in een researchsetting (7 onderzoeken). Als er gestandaardiseerde methoden werden gebruikt, verbeterde de betrouwbaarheid van de beoordelingen. Die beoordelingen hadden steeds betrekking op psychische aandoeningen, aandoeningen van het bewegingsapparaat of van een mix van beide.

Helemaal verrassend was de bevinding niet: er was al enig anekdotisch bewijs dat verzekeringsartsen onderling nogal verschillen in hun beoordeling van arbeidsgeschiktheid.

Hét antwoord daarop luidt standaardisering van de evaluatie, want dat verhoogt ontegenzeggelijk de betrouwbaarheid van de beoordeling. ‘Maar’, zo relativeert Jerry Spanjer, ‘houd daarbij wel in gedachten dat beoordelen altijd een activiteit blijft op het kruispunt van objectiviteit en subjectiviteit. Alle specialismen in de geneeskunde kennen immers interdoktervariatie.’

Intussen zou men in het buitenland een voorbeeld kunnen nemen aan hoe de verzekeringsgeneeskunde in Nederland functioneert. Jan Hoving: ‘Zeven van de 23 geïncludeerde studies waren van Nederlandse herkomst. Die maakten alle gebruik van gestandaardiseerde instrumenten om beperkingen in kaart te brengen; in vijf ervan was de betrouwbaarheid van het oordeel door verzekeringsartsen zeer goed.’ Geen wonder eigenlijk; de gestandaardiseerde aanpak is hier normaal. Spanjer: ‘We hebben een gespreksmethodiek, richtlijnen, we kennen intercollegiale toetsing en een maandelijkse bespreking van casuïstiek.’ En nergens ter wereld, vult Hoving aan, krijgen verzekeringsartsen een langere en grondiger opleiding: vier jaar studie. Dat werpt kennelijk zijn vruchten af. Ofschoon, zo stellen Barth e.a., niet goed is uit te maken of die grotere overeenstemming in de claimbeoordeling nu het gevolg is van die opleiding, van de gebruikte instrumenten of van beide.

‘Elders doen ze het nog zoals ik het 25 jaar geleden deed, toen ik in dit vak begon’, zegt Spanjer. ‘Men redeneert vanuit het medische model. Ik deed de anamnese en stelde dan vragen als: waar zit de pijn? Straalt de pijn uit? Welke medicijnen gebruikt u? Kunt u tillen? En bepaalde vervolgens aan de hand van de antwoorden wat iemand qua werk nog aankon. Het was anders gezegd nogal nattevingerwerk. Nu is mijn praktijk veel meer toegespitst op beoordelen van de functionele capaciteiten die een cliënt heeft.’

Toch is beperkingen evalueren nog altijd een slecht begrepen proces, schrijven Barth e.a. Spanjer beaamt dat, maar zegt hij, ‘we komen er wel steeds beter achter’. Zo valt er volgens hem nog best wat te verbeteren aan de beoordeling van patiënten met moeilijk objectiveerbare klachten zoals chronisch vermoeidheidssyndroom of fibromyalgie.

Hoe jammer is het dus dat het in veel landen ontbreekt aan een gevestigde onderzoekstraditie in de verzekeringsgeneeskunde. Hoving wijst echter op twee goede ontwikkelingen, op nationaal niveau is er sinds 2005 het Kenniscentrum Verzekeringsgeneeskunde (KCVG) en internationaal het Cochrane Insurance Medicine (CIM), dat vorig jaar in het leven is geroepen. Bedoeling van het nieuwe ‘Cochrane-veld’ is, aldus Hoving, niet alleen om verzekeringsartsen te helpen goede beslissingen te nemen op basis van wetenschappelijke kennis, maar ook om cliënten en patiënten met wetenschappelijke kennis te helpen in hun herstelproces.

Bron: Medisch Contact